Selfies. Ik haat ze. Bij mezelf althans.

Selfies. Vooral bij een ander leuk. Ik vind het wel leuk om mensen die ik leuk en aardig vind, selfies te zien. Het nieuwe woord voor zelfportretten. Inmiddels een zo ver ingeburgerde term, dat zelfs telefoonfabrikanten aan beide kanten van de telefoons een camera inbouwen. Een gewone camera, en een selfie-camera.

Laat ik met de deur in huis vallen; ik sta altijd k.. op foto’s. Dan kijk ik weer loenzig (ben ik niet), ik lach fake (ben ik niet), ik vind dat ik een net iets te bolle kop heb (valt tegenwoordig weer mee, met al dat joggen), dan zit er weer een haar bovenop mijn hoofd met een eigen leven: alsof ik een soort antenne op mijn hoofd heb. Ga zo maar door. Datzelfde heb ik ook met mijn stem. Anderen zeggen dat ik een prettige stem heb, dank lieve mensen, maar bij het zelf terughoren denk ik altijd: MEINE GUTE, zo klink ik toch niet écht?

Ofwel: dapper als ik ben: hier dan even een selfie. Van mij. In Praag. Geen idee wat mij bezielde, maar soms heb je zo’n selfie nodig. Als profielfoto op social media ofzo. Kijk ik te lang naar deze foto, dan denk ik ook: waarom lijk ik te loenzen? Wat zit mijn wang raar (in het echt niet), maar waarom ik deze foto “net iets beter vind” dan gemiddelde selfie van mijzelf: ik ben wat uitgeruster hier: Praag heeft mijn nachtrust goed gedaan en dus zat mijn gezicht wat meer ’terug naar fabrieksinstellingen’. Maar, wen er niet aan, aan selfies van mij. Ik ben wel ijdel, maar dan niet op gebied van foto’s. Cheerio!